VLAG EN WAPEN
 

De vlag heeft een rode boven- en een witte benedenhelft.

 

Het wapen van IndonesiŽ is een Garuda met schild.

De Garuda is de gouden arend uit de Indonesische mythologie. Hij heeft 17 veren aan iedere vleugel, 8 aan de staart en 45 aan de nek.
Dit symboliseert 17 augustus 1945, de datum waarop de onafhankelijkheid door Soekarno werd uitgeroepen.
Op het schild staan de vijf symbolen van de Panca Sila.

Dit zijn de vijf grondbeginselen waarop de Staat is gegrondvest.

  • De ster is het geloof in ťťn God.
     
  • De kop van de Banteng (buffel) is het geloof in de (geleide) democratie.
     
  • De waringin (een reusachtige boom met luchtwortels, die in een aantal gebieden van IndonesiŽ als heilig wordt beschouwd) is het geloof in de eenheid van het volk.
     
  • De schakelketting is het geloof in een rechtvaardige en beschaafde mensheid.
     
  • De twijgjes rijst en katoen is het geloof in de sociale rechtvaardigheid van het gehele volk.
     
  • De Garuda heeft in zijn klauwen de spreuk.

" Bhinneka Tunggal Ika " (eenheid in verscheidenheid).

 Indonesia In Het kort






IndonesiŽArchipelKlimaatBevolking Taal
ReligieBestuur en samenlevingEconomieGeschiedenis
Archieven krantMegawatiRaisHabibieIndonesiŽ Dossier




IndonesiŽ
(Republik Indonesia)


President Republik Indonesia
Megawati Sukarnoputri

Republiek in Zuidoost-AziŽ, tussen het Aziatische vasteland en AustraliŽ, omvat
13!677 (delen van) eilanden, waarvan ca. 990 bewoond, samen ca. 6/7 (de rest
behoort tot de Filippijnen) van de grootste archipel ter wereld, 1!904!569 km2,
met 197,6 miljoen inw. (101 inw. per km2); hoofdstad: Jakarta.
De naam IndonesiŽ (Indonesia), het eerst gebruikt door de Britse etnoloog G.R.
Logan in 1850, is afgeleid van Lat. India en Grieks nŤsos (= eiland) en betekent
Indische archipel. Munteenheid is de rupiah (Rp), onderverdeeld in 100 sen.
Nationale feestdag is 17 augustus, Onafhankelijkheidsdag.



Archipel

De Indonesische eilanden omvatten het grootste deel van de archipel tussen het
zuidoosten van het vasteland van AziŽ en het werelddeel AustraliŽ. Er zijn meer
dan 13!000 eilanden en eilandjes. De vijf grootste eilanden zijn: Nieuw-Guinea
(voor iets meer dan de helft Indonesisch grondgebied: Irian Jaya), Borneo (voor
ongeveer twee derde Indonesisch grondgebied: Kalimantan), Sumatera, Sulawesi
(Celebes) en Djawa (Java [aardrijkskunde]). Tezamen beslaan zij meer dan 90% van
het totale grondgebied van de republiek. Het grootste deel van het overige
gebied valt binnen twee eilandengroepen: Nusa Tenggara (Kleine Sunda-eilanden)
en Maluku (Molukken). De afzonderlijke eilanden vertonen grote verschillen, niet
alleen in grootte, maar ook in hoogte, hoewel zij met uitzondering van de
kleinste alle bergachtig zijn en in vele gebieden vulkanische activiteit heerst.
De grote vruchtbaarheid van IndonesiŽ hangt voor een belangrijk deel samen met
de bodemgesteldheid. Vooral bodems van vulkanische herkomst kunnen zeer
vruchtbaar zijn: jonge ferrallitische gronden van bijv. Sumatera en Java en
andosolen van de toppen en hoger gelegen hellingen van vulkanen.
IndonesiŽ is gelegen in de Austraalaziatische Middelzee tussen de Indische en de
Grote Oceaan. Deze zee bestaat uit een aantal kleinere zeeŽn (o.a. Javazee,
Zuid-Chinese Zee, Arafurazee). Door de interferentie van de getijbeweging in de
Grote en de Indische Oceaan hebben de getijden in deze zee een zeer
gecompliceerd verloop: de Javazee bijv. heeft maar eenmaal per 24 uur hoog- en
laagwater. De grote rivieren van Sumatera en Borneo zijn vrij goed bevaarbaar;
Java kent slechts ťťn bevaarbare rivier: de Solo. De eilanden tussen het
Sundaplat en het Sahulplat hebben korte, snelstromende rivieren.



Klimaat

Met uitzondering van het hoogland, heeft het grootste deel van IndonesiŽ volgens
de klimaatindeling van KŲppen een tropisch regenklimaat, waarbij de gemiddelde
maandtemperaturen slechts weinig verschillen van het jaargemiddelde, dat rond de
25 tot 27 įC ligt. De temperatuur in het gebergte neemt met ongeveer 0,5 įC per
100 m stijging af. In het centrale gebergte van Nieuw-Guinea komt op de toppen
boven ca. 4500 m eeuwige sneeuw voor. Het nivellerende effect van de alom
aanwezige zeeŽn is sterk.
Volg deze link: Bosbranden & Klimaat



Bevolking

Samenstelling en spreiding
De overgrote meerderheid van de bevolking behoort tot het Maleise ras. Er zijn
duidelijke, vnl. culturele verschillen tussen enerzijds bijv. Batak, Dajaks en
Toradja's en anderzijds Javanen (de grootste groep; zie Java [aardrijkskunde]),
Sundanezen, Madurezen, Maleiers in engere zin, Minangkabauers, Atjehers,
Buginezen en BaliŽrs. In Irian Jaya en omliggende eilanden wonen de tot de
Melanesische groep behorende Papoea's. Volken die kenmerken vertonen van zowel
de Maleiers als de MelanesiŽrs vindt men op Maluku en op Nusa Tenggara, m.n. op
Timor. Er zijn enkele kleine, geÔsoleerd levende, tot het Europese hoofdras
behorende groepen, zoals de Koeboes op Sumatera en de Mentawaiers. De grootste
minderheidsgroep vormen de vier miljoen Chinezen, van wie (nog steeds) ťťn
miljoen staatsburger is van de Chinese Volksrepubliek.
De bevolking is zeer ongelijk over de archipel verspreid: ca. 67% woont op Java,
Madura en Bali (samen slechts 7% van de totale oppervlakte). In Jakarta, waar
8,2 miljoen mensen wonen, is de bevolkingsdichtheid 15!592 inw. per km2. Andere
grote steden zijn: Surabaya (2, 5 miljoen), Bandung (2, 1 miljoen), Medan (1, 7
miljoen), Semarang (1, 3 miljoen), Palembang (1, 1 miljoen), Makasar (945!000)
en Yogyakarta (412!000). Pogingen tot interne emigratie ( Ďtransmigratieí) om de
druk van de overbevolking op Java te verlichten, hebben geen succes gehad. Zeer
dun bevolkt zijn Irian Jaya en Kalimantan. De bevolkingsgroei wordt geschat op
1,6% per jaar. Er bestaat sinds 1968 een Nationaal Instituut voor Family
Planning, dat ten doel heeft het jaarlijkse geboorteoverschot terug te dringen.
De bevolking nam sedert de jaren tachtig minder sterk toe en het geboortecijfer
daalde van 41,5Č in 1970 tot ca. 25Č in 1995; het sterftecijfer daalde in
dezelfde periode van 17,5Č tot 9Č. Bijna 36% van de bevolking is jonger dan 15
jaar; de gemiddelde levensverwachting bedraagt 66 jaar. Ca. 61% van de bevolking
woont in landelijke gebieden, doorgaans, althans wat Java betreft, in gesloten
nederzettingen (desa, kampong) met een inwonertal dat varieert van vele
honderden tot minder dan vijftig. De Chinese minderheid woont vnl. in de
stedelijke centra.



Taal

De officiŽle taal is Bahasa Indonesia, handelstalen zijn Engels en in afnemende
mate Nederlands. Voorts worden er tal van Indonesische talen gesproken en op
Irian Jaya, vooral in het binnenland en op de nabij gelegen eilanden, een aantal
niet tot deze familie behorende talen.
Volg deze link: Database alle Talen die in IndonesiŽ gesproken worden.



Religie

De overgrote meerderheid van de bevolking hangt de soennitische richting binnen
de islam aan (ruim 87%). Ongeveer 10% is christelijk (waarvan tweederde
protestants en een derde rooms-katholiek), 5% hangt plaatselijke religies aan.
Op Bali overheerst het hindoeÔsme. De grondwet garandeert vrijheid van
godsdienst.



Bestuur en samenleving

Staatsinrichting
De grondwet van 1945, in 1949 vervangen door een federale grondwet, die in 1950
op haar beurt plaatsmaakte voor een voorlopige unitaire constitutie, werd in
1959 wederom van kracht. Basis van deze grondwet is de officiŽle staatsfilosofie
Pantjasila, die vijf grondbeginselen van de Indonesische eenheidsstaat omvat:
godsgeloof, nationalisme, menselijkheid, sociale rechtvaardigheid en
volkssoevereiniteit (musyawarah, traditionele democratie gebaseerd op wijsheid
en concensus). De uitvoerende macht berust bij de president (voor vijf jaar
gekozen en herkiesbaar) en bij de ministers, die door de president benoemd
worden en die aan hem verantwoordelijk zijn. De president beschikt over het
vetorecht inzake wetsvoorstellen en heeft verder grote volmachten, m.n. wanneer
hij de noodtoestand in het hele land uitroept. De wetgevende macht berust bij
het parlement (Dewan Perwakilan Rakyat) met 500 leden, van wie 400 direct door
het volk worden gekozen en 100 (75 militairen) door de president worden benoemd.
Het hoogste orgaan is het gekozen Raadgevend Volkscongres (Malejis
Permusyawaratan Rakyat), dat bestaat uit duizend leden en samengesteld is uit de
leden van het parlement en uit vertegenwoordigers van regionale en
beroepsgroepen; het komt ten minste eens in de vijf jaar bijeen, stelt de
politieke richtlijnen vast en kiest de president. Alle beslissingen worden
unaniem genomen in overeenstemming met het musyawarah-principe.
Administratieve indeling
Het land is verdeeld in 24 provincies (propinsi) en drie zgn. bijzondere
gebieden (daerah's): Jakarta Raya, Yogyakarta en Aceh (Atjeh).
Lidmaatschap van internationale organisaties
IndonesiŽ is lid van de Verenigde Naties en alle suborganisaties, van de
Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), het Colombo-plan, de
Organisatie van Olieproducerende Landen (OPEC), het Verbond van
Zuidoost-Aziatische Naties (ASEAN), de Organisatie van Niet-Gebonden Landen, de
Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB), de Islamitische Ontwikkelingsbank en de
Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC). Speciaal met het oog op
IndonesiŽs economische situatie werd in 1967 de Intergouvernementele Groep voor
IndonesiŽ, IGGI, opgericht, waarin dertien westelijke crediteurlanden zijn
verenigd.
Politieke organisatie; partijwezen; vakbeweging
Tot de vestiging van de zgn. geleide democratie in 1960 kende IndonesiŽ een rijk
geschakeerd partijpolitiek leven. In dat jaar werd het aantal partijen
teruggebracht tot acht. Na de militaire machtsovername in 1965 werd de
communistische partij (PKI) met al haar suborganisaties verboden; zij bleef
echter ondergronds nog actief. De nog bestaande partijen werden in 1973 onder
dwang samengesmolten in twee combinaties, de islamitische Partai Persatuan
Pembangunan (Partij van Eenheid en Opbouw, PPP) en de deels seculiere, deels
christelijke Partai Demokrasi Indonesia (PDI). Deze twee partijen waren de enige
twee toegelaten partijen naast de regeringspartij en vormden samen de oppositie
in het parlement. Daarnaast was in 1964 de Sekretariat Bersama Golongan Karya
(Algemeen Secretariaat van Functionele Groepen; afk. GOLKAR) ontstaan, formeel
geen politieke partij, maar een corporatieve organisatie van beroepsgroepen en
militairen, die het beleid van de regering steunde. Zij functioneerde in ieder
geval wel als regeringspartij in het parlement. Bij de overkoepelende
vakbondsorganisatie, de Serikat Pekerja Seluruh Indonesia (SPSI, in 1973
opgericht), waren 13 afzonderlijke vakbonden aangesloten. Hoewel het recht op
staking door de grondwet werd gegarandeerd, moesten stakingen officieel door de
overheid worden goedgekeurd. In 1990 werd het stakingsverbod dat gold voor
enkele sectoren van de economie die de regering van vitaal belang achtte,
opgeheven.




Economie
Algemeen

De economie wordt beheerst door twee problemen. Ten eerste de geografisch
ongelijke verdeling van de bevolking en van het productie-consumptiepatroon,
waarbij grote economische (en in het verlengde daarvan ook politieke)
belangentegenstellingen zijn gegroeid tussen enerzijds het overbevolkte
consumerende Java en anderzijds de dunbevolkte, deviezenproducerende zgn.
buitengewesten, dwz. de buiten-Javaanse eilanden.
De moeilijkheden die met deze situatie samenhangen, zijn nog verscherpt door een
aantal specifiek Indonesische omstandigheden: de politieke spanningen, de
nationalisaties van 1957 en volgende jaren, de grote militaire uitgaven (bijna
10% van de totale overheidsuitgaven in het begrotingsjaar 1995/1996), de vrij
kostbare bestuurshuishouding, die de druk op de middelen verzwaarden.
Van 1988 tot medio 1997 maakte IndonesiŽ echter een sterke economische opleving
mee, vooral dankzij een politiek van liberalisatie, die er o.a. op gericht is de
afhankelijkheid van de olieopbrengsten te verminderen en een meer
gedifferentieerde economie op te bouwen. Het economisch beleid van de regering
bevordert de export van verschillende (verwerkende) industrieŽn (m.n.
houtproducten). De gunstige resultaten hiervan zijn vooral ook te danken aan de
hulp van grote internationale financieringsorganisaties (o.a. IGGI) en
ontwikkelingshulp van de rijke landen. De exportgerichte verwerkende industrie
geldt thans als motor van de economie. Ook de buitenlandse investeringen in het
land zelf namen toe. Desalniettemin blijft de Indonesische economie kwetsbaar
door de afhankelijkheid van het buitenland, de snelle bevolkingsgroei
(werkloosheid), de grote inkomensverschillen en, ten slotte, het autoritaire,
antidemocratische karakter van het land. Bij een inflatie van ca. 10% wordt
midden jaren negentig een economische groei gerealiseerd van Ī7% per jaar. Vanaf
medio 1997 kreeg IndonesiŽ, evenals enkele andere Zuid-Oost-Aziatische landen,
te maken met een ingrijpende valutacrisis, waardoor de regering zich genoodzaakt
zag de hulp in te roepen van het IMF. De koers van de roepia daalde in 1997 met
meer dan 70%, de inflatie liep op en honderdduizenden IndonesiŽrs verloren hun
baan.
Landbouw; veeteelt; bosbouw; visserij
Ruim 50% van de beroepsbevolking is in de landbouw werkzaam. Van de naar
schatting ruim 180!000 km2 cultuurgrond is ca. drie kwart voor voedingsgewassen
en de rest voor handelsgewassen in gebruik. De belangrijkste voedingsgewassen
zijn rijst, maÔs, cassave en bataten, voorts grondnoten, sojabonen, kopra en
suiker. De rijstcultuur is de oudste en overheersende cultuur, voor het
belangrijkste deel op sawa's, maar ook wel (buiten Java) op droge, jaarlijks
wisselende velden (ladangbouw). Na de rijstoogst worden zonder bevloeiing vaak
tweede gewassen verbouwd. Aangezien de rijstbouw van eminent belang is voor de
voedselvoorziening en het voor de overheidsfinanciŽn van even groot belang is
onafhankelijk te worden van rijstimport, zijn pogingen ondernomen de
voedselproductie te verhogen, die echter aanvankelijk niet tot de verwachte
resultaten leidden. Een sterke toename van productieve gebieden en gemiddelde
opbrengsten leidde ten slotte tot het gestelde doel van autarkie in 1984Ė1985,
mede dankzij grote overheidssubsidies voor zowel producent als consument om de
prijzen niet tot wereldmarktniveau te hoeven verlagen. Als gevolg van
subsidietekorten door de val van de olieprijzen in 1985Ė1986 en van misoogsten
moest IndonesiŽ tot in de jaren tachtig rijst importeren. Inmiddels is het land
overwegend zelfvoorzienend.
De voornaamste handelsgewassen zijn rubber, palmolie, tabak, thee, kopra, koffie
(op BraziliŽ en Colombia na de grootste wereldproducent), peper en cacao: deze
producten vormen, na de aardolie, het belangrijkste deel van de export. De
verbouw vindt hoofdzakelijk plaats op Sumatera en Java, hetzij op grote
cultuurondernemingen, hetzij, zoals bij de rubberproductie, door kleine boeren.
IndonesiŽ is na MaleisiŽ de grootste wereldproducent van rubber.
Tuinbouw wordt voor het grootste deel bedreven op erfcultures, dwz. op erven
rond de huizen: de producten (talrijke groente- en fruitsoorten, maar ook
kruiden en specerijen), worden ter plaatse geconsumeerd; slechts een klein deel
gaat naar de markt. Speciale tuinbouwbedrijven, voor koolsoorten, bonen en prei
in de bergstreken en voor bladgroenten in de lager gelegen gebieden, leveren
uitsluitend voor de markt.
Veehouderij dient vooral voor het houden van trekdieren (rund, buffel, paard);
voor consumptie zijn bestemd geiten, schapen, varkens en kippen. Sinds 1988
probeert IndonesiŽ door middel van het importeren van fokvee in te springen op
een deel van de vrijgekomen exportmogelijkheden van vlees, als gevolg van het
verbod op veeteelt in Singapore.
Bijna tweederde van het land is bedekt met tropisch oerwoud (60% van Sumatera,
77% van Kalimantan en 80% van Irian Jaya). IndonesiŽ bezit daarmee na BraziliŽ
het grootste regenwoud ter wereld en is met 9,7 miljoen m3 de grootste
houtexporteur van Zuidoost-AziŽ. De bossen worden van oudsher hoofdzakelijk als
staatsbedrijf geŽxploiteerd; er zijn echter concessies verleend aan Amerikaanse,
Filippijnse en Japanse maatschappijen. De laatste zijn m.n. werkzaam in
Oost-Kalimantan, waar, evenals elders in de archipel, op grote schaal ontbossing
en bodemerosie voorkomen als gevolg van onverantwoordelijk kappen. Sinds 1985 is
de export van ruw hout verboden en vervangen door uitvoer van houtproducten
(o.a. meubels). Ook wil de regering de schade aan het tropisch regenwoud
herstellen door middel van herbebossingsplannen. De bossen leveren behalve hout
ook harsen en gommen, terpentijn, rotan en kajapoetih-olie. Het uit de sagopalm
gewonnen merg is het volksvoedsel op Irian Jaya. In 1997 braken als gevolg van
droogte en onverantwoorde houtkap, vooral in Sumatra, Kalimantan en Irian Jaya,
hardnekkige bosbranden uit, die ca. 1,7 miljoen ha in de as legde. De droogte
leidde ook tot ernstige voedselschaarste, waardoor voor ca. 7,5 miljoen
IndonesiŽrs een voedseltekort dreigde.
Visserij is voor de voedselvoorziening (eiwitten) zeer belangrijk. Met name
langs de kusten van Sulawesi en Kalimantan, in de Riau-archipel en in Maluku
leven sommige bevolkingsgroepen vrijwel uitsluitend van de visvangst. In sommige
streken van Java wordt vis uitgezet in de natte rijstvelden; voorts zijn er,
vooral langs de noordkust van Java, aparte visvijvers; meer dan de helft van de
gevangen vis wordt door deze kunstmatige visvijvers geleverd. De zeevisserij is
door modernisering van de vissersvloot en verbeterde vangsttechnieken in de loop
van de jaren tachtig sterk vooruitgegaan (o.a. garnaalexport).
Mijnbouw
Met uitzondering van aardolie, aardgas en tin (IndonesiŽ is na MaleisiŽ de
grootste tinproducent ter wereld), worden de rijkdommen aan mineralen weinig
benut. Aardolie wordt aangetroffen op Oost- en Zuid-Sumatera, in Oost-Kalimantan
en op Oost-Java, maar ook wel off-shore. De exploitatie is deels in handen van
particuliere bedrijven, deels in handen van het staatsbedrijf Pertamina.
IndonesiŽ is de grootste aardolieproducent van Zuidoost-AziŽ. Aardgas wordt
hoofdzakelijk aangetroffen bij de Natuna-eilanden in de Zuid-Chinese Zee en bij
Zuid-Sumatera en Oost-Kalimantan. Met de constructie van twee installaties voor
de productie van vloeibaar aardgas (LNG) bij Arun (Sumatera) en Bontang
(Kalimantan) is IndonesiŽ hiervan met 24 miljoen ton per jaar de grootste
producent en exporteur ter wereld geworden. Tot de overige bodemschatten behoren
vooral tin (op Bangka, Billiton en Singkep in de Riau-Archipel), bauxiet
(Bintan), nikkel (Zuid-Sulawesi), steenkool (Zuid- en Midden-Sumatera) en
ijzererts (Irian Jaya). Voorts worden goud, zilver en koper gewonnen. Ook hier
is veel buitenlands kapitaal geÔnvesteerd.
Energievoorziening
Meer dan 50% van de totale energievoorziening is afkomstig van met aardolie of
gas gestookte centrales. Hiernaast zijn waterkracht (Jatiluhurdam op West-Java),
geothermische energie (Diengplateau op Midden-Java) en vooral steenkool
belangrijke energiebronnen. Al jaren is er sprake van plannen voor de bouw van
een kerncentrale op Midden-Java.
Industrie
De industrie is voor het grootste deel geconcentreerd op Java. Meer dan de helft
daarvan bestaat uit kleine en middelgrote bedrijfjes die voor ongeveer de helft
gemechaniseerd zijn. Van de grotere bedrijven is ca. 85% gemechaniseerd; in deze
sector treft men scheepsbouw, aardolieraffinage, chemische industrie, textiel-,
cement-, papier- en kunstmestfabricage aan. Ook zijn er bedrijven ter
vervaardiging van elektronische apparatuur, auto's en vliegtuigen. Door de
liberalisatiepolitiek na 1966 en eind jaren tachtig zijn de activiteiten van
buitenlandse investeerders sterk toegenomen. Deze ontwikkeling is ten koste
gegaan van m.n. de kleinbedrijven (vervaardiging van consumptiegoederen;
verwerking van landbouwproducten) die de concurrentie met de importproducten
niet konden volhouden. Het aandeel van de industriŽle productie in het bnp is
opgelopen van 8,5% in 1970 tot 21% in 1993.
Handel
De handelsbalans is sinds 1980 positief (in 1992 +$ 6, 6 miljard). De uitvoer
bestaat voor het grootste deel uit grondstoffen: aardolie, rubber, tin, tabak,
koffie, thee, palmolie en kopra, maar ook triplex; de invoer uit transport- en
voedingsmiddelen, chemicaliŽn en kapitaalgoederen. De voornaamste
handelspartners zijn Japan, de Verenigde Staten, Singapore, Duitsland, Nederland
en Groot-BrittanniŽ.
Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Na het aan de macht komen van de regering-Soeharto werden plannen gemaakt en
uitgevoerd tot afschaffing van de belangrijkste staatsmonopolies en tot
liberalisering van het bedrijfsleven. Buitenlandse kapitaalsinvesteringen werden
daarbij aangemoedigd in alle sectoren van het economisch leven. FinanciŽle steun
voor de uitvoering van de diverse plannen werd gegeven door de zgn. donorlanden,
die zich in 1967 verenigden in de Intergouvernementele Groep voor IndonesiŽ
(IGGI). Door de regering zijn vanaf 1969 vijf vijfjarenplannen (Repelita IĖV)
opgesteld. Het eerste (1969Ė1974) richtte zich vooral op de ontwikkeling van
textiel-, kunstmest-, cement- en papierfabricage; het tweede besteedde in de
eerste plaats aandacht aan de scheepsbouw; het derde aan ontwikkelingen ten
behoeve van onafhankelijkheid van de oliesector en het vierde aan verbetering
van de infrastructuur. Repelita V (1989Ė1994) had als doel de binnen- en
buitenlandse investeringen te stimuleren. In de industriŽle ontwikkeling ligt
het zwaartepunt bij een sterkere integratie tussen groot-, midden- en
kleinbedrijf. Hierdoor moesten tot 1994 jaarlijks ca. 2,3 miljoen nieuwe
arbeidsplaatsen gecreŽerd worden.
Het zesde vijfjarenplan (1994Ė1999) voorziet een jaarlijkse economische groei
van 6, 2%, een dalende bevolkingsgroei (van 1,7 naar 1,5%) en een verdubbeling
van het bnp per hoofd. De verwerkende industrie moet het speerpunt worden.
Grootscheepse investeringen moeten de ambitieuze doelen helpen verwezenlijken.
In 1990 ondertekende de regering een verdrag met Singapore en MaleisiŽ over de
economische ontwikkeling van de Riau-Archipel. Het eiland Batam, gelegen
tegenover Singapore, werd tot vrijhandelszone uitgeroepen en vervult de
voortrekkersrol van wat een nieuwe economische en industriŽle groeikern in
Zuidoost-AziŽ moet worden.
Bankwezen
De centrale bank is, sinds 1953, de Bank Indonesia, voorheen de Javase Bank.
Daarnaast bestaan staatsbanken, gespecialiseerde kredietinstellingen en
tientallen particuliere banken. IndonesiŽ is lid van het Internationaal Monetair
Fonds (IMF), de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank.
Verkeer
Van primair belang zijn het interinsulaire scheepvaartverkeer en de kustvaart.
Sinds 1985 is er, deels gefinancierd door de Wereldbank en de Aziatische
Ontwikkelingsbank, een ambitieus havenmoderniseringsprogramma gaande. De
belangrijkste havens zijn Tanjung Priok (bij Jakarta), waar ca. een kwart van de
invoer arriveert, Tanjung Perak (bij Surabaya), Belawan (bij Medan) en Kjung
Pandang (Zuid-Sulawesi). Vervoer over water in het binnenland is alleen mogelijk
over enkele grote rivieren op Kalimantan en Sumatera, waar de scheepvaart echter
veel hinder ondervindt van het dichtslibben van rivieren. Het wegverkeer
ondervindt ernstige hinder van slechte wegen en van een tekort aan
transportmiddelen. Het wegennet (266!326 km in 1989) is het dichtst op Java. De
meeste spoorlijnen (totaal ca. 6500 km) zijn eveneens op Java te vinden; het
spoorwegnet is geheel in handen van de staat. Er zijn zes grotere
luchtvaatmaatschappijen. Binnenlands en buitenlands luchtverkeer wordt
hoofdzakelijk verzorgd door het staatsbedrijf Garuda Indonesian Airways. De
voornaamste internationale luchthavens zijn die van Jakarta, Medan (Sumatera) en
Depasar (Bali).
Naar boven



Geschiedenis

Volg deze link voor tijdlijn geschiedenis IndonesiŽ
80 Links naar sites die iets met de VOC van doen hebben
Volg deze link voor info Verenigde Oostindische Compagnie (VOC)
Beknopte geschiedenis van Java
Prehistorie
De vroegste bewoners van IndonesiŽ zijn volgens de meest waarschijnlijke theorie
verwant met de tegenwoordige bewoners van de Zuidzee-eilanden. Zij werden
vermoedelijk verdreven door volken van de zgn. Austronesische taalfamilie,
waartoe ook de IndonesiŽrs behoren. Deze IndonesiŽrs behoren, met o.a. grote
delen van de bevolking van Achter-IndiŽ, tot de Mongoliden. De zuiverheid van
deze Indonesische afkomst is het best bewaard bij volken als de Bataks, Dajaks
en Alfoeren. De IndonesiŽrs zijn zonder twijfel sinds de neolithische tijd in de
archipel gevestigd. Waarschijnlijk waren ook zij de brengers van de cultuurvorm
die onder de naam Dong Son bekend is. Deze naam wijst erop dat deze
cultuurstroom in Tonkin zijn oorsprong heeft gevonden. In prehistorische tijden,
voorafgaande aan de Hindoe-periode, kende men de landbouw op sawa's. De sociale
organisatie hing samen met de bevloeiing. Matriarchale instellingen kwamen voor.
Van metalen werd een rudimentair gebruik gemaakt. Er was scheepvaart bij
Maleiers en andere kust-IndonesiŽrs. De Chinezen noemden hen Kun-lun, de IndiŽrs
Dwipantara.
HindoeÔsering
Sinds het begin van de westerse jaartelling werd IndonesiŽ door de
Hindoe-cultuur beÔnvloed. Indische zeelieden, handelaars, geleerden en priesters
kwamen in de archipel en brachten elementen van hun eigen beschaving (zeden,
wetten, alfabet, taal, sociale en religieuze vormen) mee. Er werden brahmaanse
en boeddhistische heiligdommen gesticht en inscripties in het Sanskriet
opgesteld. Uit deze individuele Hindoe-vestigingen ontstonden Ė zo moet men zich
voorstellen Ė de latere Hindoe-rijken, hetzij doordat een IndiŽr zich opwierp
als hoofd van de autochtone bevolking, hetzij, waarschijnlijker, doordat een
Indonesisch vorst of hoofd de Hindoe-cultuur overnam en daardoor zijn prestige
en gezag versterkte. Het Hindoe-element werd ongetwijfeld door geregeld, zij het
nooit intensief, contact eeuwenlang aangevuld. De geÔntroduceerde
Hindoe-beschaving onderging in sociaal en religieus opzicht door het contact met
de inheemse culturen sterke wijzigingen. Speciaal op Java ontwikkelde zich op
den duur een mengbeschaving, in casu de zgn. Hindoe-Javaanse. Het boeddhisme is
ook als wijzigende factor in deze ontwikkeling niet te verwaarlozen: het kende
geen rasvooroordelen en spreidde een sterke missionaire activiteit ten toon. De
Hindoe-godsdiensten, vooral de Shiva-cultus (Shiva als staatsbeschermer),
oefenden in IndonesiŽ een belangrijke invloed uit. Overigens leefden de
aanhangers van hindoeÔsme en boeddhisme vreedzaam naast elkaar en gingen de
diverse vereringsvormen soms in elkaar op.
De Indische expansie was economisch en cultureel, niet politiek. De
Hindoe-rijken waren Indonesische rijken, waarvan de vorst en de adel de
hogerstaande beschaving van India hadden aanvaard. Het culturele hindoeÔsme
(Hindoe in de betekenis dus van Indisch, niet in de zin van Hindoe-godsdienst)
werd een bindend element van de autochtone Indonesische maatschappijen. Het
belangrijkste Hindoe-rijk in IndonesiŽ was Sjriwijaya, het handelsemporium dat
Malakka en Sumatera en de scheepvaart van India naar China beheerste. In de 8ste
eeuw kwam, voor zover blijkt eerst op Java, de boeddhistische dynastie van de
Shailendra's (bergvorsten), die zich maharadja's (oppervorsten) noemden, naar
voren. In de tweede helft van de 9de eeuw heersten zij ook op Sumatera, dus over
Sjriwijaya, als afhankelijk gebied. De maritieme macht van het rijk bereikte
toen het hoogtepunt. In de 10de eeuw werd in Chinese bronnen voor het eerst de
naam San-fo-tsi gebruikt om het Sumatraanse rijk aan te duiden. De macht van de
Shailendra's op Java was inmiddels gebroken, zoals blijkt uit het herstel van de
Hindoe-culten. Tegen het einde van de 10de eeuw streden Java en Sumatera om de
opperheerschappij: een Javaanse expeditie van 992 werd beantwoord door de
verwoesting van Java's hoofdstad in 1006, hetzij rechtstreeks door Sumatera,
hetzij indirect door een opstandige vazalvorst. Door de veroveringen van
Airlangga (tot 1042) werd een machtsevenwicht in de archipel bereikt: Java
beheerste het oosten, Sumatera het westen, Sjriwijaya was langzamerhand
verzwakt, mede door een overval van de Zuidindische Cholas op Malakka en
Sumatera. Het machtsevenwicht bleef tot de 13de eeuw bestaan. Sjriwijaya moest
voortdurend oorlog voeren om zijn heerschappij ter zee te behouden. In sommige
gebieden was verzwakking van het gezag van de oppervorst waar te nemen. Het is
mogelijk dat Jambi in die tijd het centrum van het rijk geworden was. Na 1275
veroverde de Javaanse koning Kertanagara Jambi en enige decennia later ontstond
op Java het rijk van Majapahit. Ook de Achter-Indische Thais bedreigden door hun
invallen op Malakka het Sumatraanse rijk. In de 14de eeuw werd een groot deel
van Midden-Sumatera beheerst door de Minangkabause vorst Aditijawarman (ca.
1340Ė1375).
Het koninkrijk Majapahit ontstond op Oost-Java na de val van Singasari en de
Chinese inval van 1293. Majapahit zette de expansiepolitiek van Kertanagara
voort en bereikte de grootste machtsuitbreiding onder Hayam Wuruk en diens
bekwame rijksbestuurder Gajah Mada. Direct werden Oost- en Midden-Java door
Majapahit beheerst, indirect de Indonesische gebieden buiten Java. Op West-Java
handhaafde zich echter het onafhankelijke koninkrijk Pajajaran.
De komst van de islam en van de Europeanen
De 15de eeuw bracht de islampropaganda, die, uitgaande van Voor-IndiŽ, vnl.
Gujarat, spoedig een staatkundig centrum vond in Malakka en van daar vooral de
handelswegen volgde: de kusten van Sumatera, Java en Maluku waren het eerst tot
de nieuwe godsdienst overgegaan en m.n. op Java maakten zich toen de kuststreken
los van het centrale gezag. Zodoende ging in het begin van de 16de eeuw
Majapahit te gronde en maakte plaats voor het islamitische Demak. Ongeveer
terzelfder tijd verschenen de Portugezen ten tonele. In 1511 viel Malakka in hun
handen; de daar verdreven sultans vestigden zich op den duur in Johore, terwijl
tevens in het begin van de 16de eeuw een nieuw islamitisch rijk ontstond in
Atjeh. In Maluku in het oosten waren Ternate en Tidore de belangrijkste machten,
het eerste al snel onder invloed van de Portugezen Ė hun vaste punt was het in
1522 gebouwde fort Ė, tot deze in 1574 tot wijken werden gedwongen en zich
verder op Ambon concentreerden. Zij streefden zowel naar het monopolie van de
specerijhandel, waarvoor zij gebruik maakten van de tussen de inheemse
machthebbers bestaande veten, als naar de verbreiding van het christendom. Na de
vereniging van het Portugese rijk met Spanje in 1580 kregen de Portugezen, wier
invloed reeds tanende was, hulp van de Spanjaarden uit de Filippijnen.
Terzelfder tijd ondernamen de Engelsen reizen door de archipel. Op Java
vertraagden onenigheden tussen islamitische machthebbers het tot stand komen van
een krachtige staat tot het eind van de 16de eeuw, toen Mataram zich als zodanig
ging consolideren; op West-Java was Bantam de belangrijkste macht, dankzij zijn
gunstige ligging voor de handel.
De Compagniestijd
In 1596 verschenen in de Indonesische archipel de eerste Nederlanders (expeditie
van Cornelis De Houtman). Hun spoedig concurrerende handelsondernemingen werden
in 1602 verenigd tot de Verenigde Oost-Indische Compagnie. In 1605 maakte deze
zich meester van haar eerste territoriaal bezit: het Portugese fort op Ambon; in
1610 concentreerde zij haar krachten door de instelling van een Indische
regering onder een gouverneur-generaal en in 1619 verschafte Jan Pieterszoon
Coen haar een hoofdstad in het veroverde Jacatra, omgedoopt in Batavia.
Diezelfde gouverneur-generaal stelde zich met succes teweer tegen Engelse
aanspraken en vestigde de macht van de Compagnie op Banda, terwijl hij zijn
hoofdstad tegen Mataramse aanvallen wist te verdedigen. Zijn opvolgers (vooral
Van Diemen en Maetsuyker) zetten zijn politiek voort en in de loop van de 17de
eeuw kwam Maluku in Nederlandse handen, werden Bantam en Mataram onder invloed
van de Compagnie gebracht, Makassar verslagen, Atjeh en Johore onschadelijk
gemaakt en Ceylon op de Portugezen veroverd, nadat in 1641 reeds Malakka, hun
laatste steunpunt in Zuidoost-AziŽ, was gevallen.
De 18de eeuw deed de bezwaren van het handelssysteem van de Compagnie steeds
meer aan het licht komen, en de hervormingspogingen van gouverneur-generaal Van
Imhoff (1743) hadden geen succes, de concurrentie van de Engelsen werd
voortdurend gevaarlijker en de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog leidde de
ondergang van de Compagnie in; haar bezittingen en lasten werden bij de
staatsregeling van 1798 door de staat overgenomen.
Nederlands-IndiŽ tot 1942
In 1808 zond het Koningrijk Holland Daendels als gouverneur-generaal, wiens
bewind zich kenmerkte (behalve door zijn militaire maatregelen) door een
drastisch opruimen van allerlei hinderlijke Compagniesoverblijfselen en een
krachtig versterken van het Hollandse gezag. Daardoor heeft hij in veel
opzichten de baan vrijgemaakt voor de hervormer Raffles, die gedurende het
Engelse tussenbewind (1811Ė1816) Java bestuurde en van wiens maatregelen,
gedeeltelijk ingegeven door Nederlandse raadslieden, vele door zijn opvolgers
zijn gehandhaafd, terwijl vooral de invoering van de landrente verstrekkende
gevolgen heeft gehad.
In 1816 keerde (ingevolge de Londense Conventie van 1814) het Nederlandse gezag
terug; het bracht geen reactie, maar bouwde voort op wat het vond en trachtte
ook buiten Java nieuwe relaties aan te knopen. De stichting van Singapore door
Raffles in 1819 haalde echter een streep door de Nederlandse plannen om Batavia
weer tot het middelpunt van een groot handelsrijk te maken. De moeilijkheden met
Engeland werden in 1824 bij traktaat zoveel mogelijk opgelost; de in datzelfde
jaar op initiatief van koning Willem I opgerichte Nederlandsche
Handel-Maatschappij scheen nieuwe groei voor de handel te zullen betekenen.
FinanciŽle zorgen, gepaard met een opstand in de Javaanse Vorstenlanden
(1825Ė1830), noopten tot het in 1830 door gouverneur-generaal Van den Bosch
ingevoerde Cultuurstelsel.
Na de grondwetsherziening van 1848, die de Staten-Generaal invloed gaf op
Indische aangelegenheden, werd bij het bij die Grondwet voorziene
regeringsreglement van 1854 tot geleidelijke afschaffing van het stelsel van de
gedwongen cultures besloten. De agrarische wetgeving van De Waal (1870) maakte
de baan vrij voor het Europese kapitaal en de Europese cultures. Ondanks de
remmende invloed van de Atjeh-oorlog (1873Ė1903) werd eindelijk ook de tijdens
het Cultuurstelsel gevolgde onthoudingspolitiek ten opzichte van de
Buitengewesten verlaten.
De eeuwwisseling luidde voor Nederlands-IndiŽ het tijdperk in van de ethische
politiek, die ten doel had het belang van de inheemse bevolking en haar
opvoeding tot zelfstandigheid te bevorderen. Het onderwijs en de welvaartszorg
kregen meer aandacht. Vooral door de verbetering van het onderwijs voor de
inheemse bevolking Ė ook al profiteerde daarvan verhoudingsgewijs maar een
kleine groep Ė won de nationalistische beweging in de volgende jaren snel
terrein. In 1908 werd de Boedi Oetomo (het schone streven) opgericht, nog in
hoofdzaak Javaans-cultureel gericht, in 1912 de Sarekat Islam, een massabeweging
op islamitische grondslag, in 1920 de communistische partij (PKI). In 1926Ė1927
kwam het tot door de communisten geÔnspireerd gewapend verzet tegen het
Nederlandse bestuur in West-Java (Bantam) en op de Westkust van Sumatera
(Minangkabau), waarna de PKI werd verboden (ze herleefde pas in 1945). Ten
slotte stichtte Soekarno in 1927 de PNI (Partai Nasionalis Indonesia), die zich
op het standpunt van volledige onafhankelijkheid (Merdeka) voor IndonesiŽ
stelde.
De Nederlanders hebben de kracht van de nationalistische beweging onvoldoende
onderkend. Wel waren zij bereid tot de instelling van de Volksraad in 1918, maar
dit lichaam had slechts beperkte bevoegdheden, ook toen vanaf 1931 van de 60
leden 30 IndonesiŽr waren (naast 25 Nederlanders en 5 Chinezen en Arabieren).
Van deze 30 IndonesiŽrs werd bovendien eenderde door het Nederlandse bestuur
benoemd, terwijl de overige 20 werden gekozen door een kiezerscorps van (in
1939) nog geen 1500 leden. Van een echte volksvertegenwoordiging was dan ook
geen sprake. Tegen de nationalisten, vaak met de communisten op ťťn lijn
gesteld, traden de Nederlanders na 1926 geleidelijk scherper op. Zo werden velen
verbannen naar het interneringskamp Boven-Digul in het ongezonde binnenland van
(Westelijk) Nieuw-Guinea of naar een andere uithoek van IndonesiŽ; een lot dat
onder het autoritaire regime van gouverneur-generaal De Jonge onder meer
Soekarno, Hatta en Sjahrir trof. Pas door de Japanners werden deze
nationalistische voormannen op vrije voeten gesteld. Dat Nederland aan de
Indonesische verlangens naar grotere vrijheid niet tegemoet wilde komen, bleek
opnieuw in 1938, toen het de Soetardjo-petitie afwees, waarbij was verzocht om
de bijeenroeping van een rijksconferentie, teneinde aan IndonesiŽ langs de weg
van geleidelijkheid zelfstandigheid toe te kennen binnen het rijksverband.
De Japanse bezetting
In het voorjaar van 1942 bezetten de Japanners geheel Nederlands-IndiŽ. De
Nederlanders werden geÔnterneerd in kampen, waar velen om het leven kwamen (naar
schatting 13% van de 90!000 burgers en 23% van de 37!000 krijgsgevangenen), o.a.
tal van gevangenen die aan de BirmaĖSiamspoorweg moesten werken. Tijdens de
Japanse bezetting was IndonesiŽ politiek en economisch geheel ondergeschikt aan
Japan, terwijl de bevolking werd gemobiliseerd ten behoeve van de Japanse
oorlogsinspanning.
De Japanners waren voor dat doel ook bereid samen te werken met de Indonesische
nationalisten. Vooral Soekarno, die in juli 1942 te Batavia was teruggekeerd,
trad hierbij op de voorgrond. Een belangrijke ontwikkeling was in 1943 de
oprichting van een Indonesisch vrijwilligersleger, de PETA, die tezamen met
Japan Java tegen een geallieerde inval zou moeten verdedigen. In deze militaire
hulpformatie kreeg o.a. Soedirman, na 1945 de eerste Republikeinse
opperbevelhebber, zijn opleiding. Intussen verslechterde de economische
situatie, vooral op het platteland, snel. Zo kwamen de grote
landbouwondernemingen stil te liggen. De toestand werd nog verergerd door de
vordering van rijst voor de Japanse troepen en de ronseling van arbeidskrachten
(romusha's). In deze tijd ontstond een nieuwe maatschappelijke categorie, de
pemuda (jongeren), samengesteld uit studenten, in internaten ondergebrachte
jongere ambtenaren en leden van militaire en paramilitaire hulpformaties zoals
de PETA. In het vervolg zouden de pemuda de schakel zijn tussen stedelijk en
agrarisch radicalisme.
In sept. 1944 beloofde de Japanse premier Koiso, toen de oorlog voor zijn land
steeds slechter begon te verlopen, aan IndonesiŽ een spoedige onafhankelijkheid,
zoals die ook was verleend aan het door de Japanners bezette Birma en de
Filippijnen. Op 8 aug. 1945 werden Soekarno en Hatta bij de Japanse commandant
in Zuidoost-AziŽ, Terautsji, ontboden. In Da Lat (Indo-China) bespraken zij de
modaliteiten van de zelfstandigheid. Maar ťťn dag na hun terugkeer in Batavia
gaf Japan zich aan de geallieerden over (15 aug.). Twee dagen later riepen
Soekarno en Hatta, onder druk van de pemuda-jongeren, de Republiek IndonesiŽ
uit, waarvan Soekarno president werd.
De overgangsperiode
Nederlands-IndiŽ was op de dag van de Japanse capitulatie door het Amerikaanse
aan het Britse Zuidoost-AziŽ-commando overgedragen. Dit had echter weinig
troepen en kon het land voorlopig niet bezetten. Er kwam een interregnum. De
eerste Britten en Nederlanders kwamen pas in okt. 1945 op Java aan. In de meeste
Buitengewesten werd het Nederlandse gezag snel hersteld. Op Java en Sumatera
echter bood de Republiek verzet in een guerrilla tegen de terugkerende
Nederlanders, die voorlopig werd afgesloten na het onder Britse druk gesloten
Nederlands-Republikeinse akkoord van Linggadjati (nov. 1946), waaraan eerdere
besprekingen Ė o.a. de Hoge Veluwe-conferentie in april 1946 Ė waren
voorafgegaan. Levensvatbaar was deze overeenkomst echter niet. Om te beginnen
formeerde de Nederlandse luitenant-gouverneur-generaal Van Mook in de door hem
bestuurde gebieden deelstaten die het wantrouwen van de Republiek wekten, omdat
men er een poging in zag de IndonesiŽrs onderling te verdelen. De belangrijkste
deelstaat was Oost-IndonesiŽ, waartoe ook de Zuid-Molukken behoorden. Verder
handhaafde Nederland de maritieme blokkade van de Republiek, terwijl de
Republiek de door de Nederlanders bezette enclaves aan de kust onder druk hield.
Op 21 juli 1947 begon Nederland zijn eerste politionele actie, die door toedoen
van de Verenigde Naties op 5 aug. werd gestaakt. In de onder Amerikaanse druk
gesloten Renville-overeenkomst aanvaardden Nederland en de Republiek de goede
diensten van de Verenigde Naties. Binnen de Republiek, die na aug. 1947 tot het
gebied van Midden-Java was teruggedrongen, gistte het tussen de stedelijke
radicalen, merendeels volgelingen van Tan Malakka, en een man als de
sociaal-democraat Sjahrir. Parallel hiermee waren er binnen het leger
tegenstellingen tussen de Siliwangi-divisie van Nasoetion en pemuda-getinte
Midden- en Oost-Javaanse formaties. Op de achtergrond doemde het vraagstuk van
de Ďonwettige occupatieí van ondernemingsgronden door landloze boeren op. Bij
het hiermee samenhangende radicalisme sloten in sept. 1948 Oost-Javaanse
pemuda's aan. Met grondhervorming als leuze begonnen zij in Madiun een opstand
tegen de als pro-Nederlands gedoodverfde regering. De Indonesische
communistische partij (PKI) nam de leiding van de revolte op zich. Deze werd
echter door Nasoetions Siliwangi-divisie neergeslagen.
Was IndonesiŽ al ten tijde van het Renville-akkoord een factor in de Ďkoude
oorlogí geworden, na Madiun kreeg de Republiek in Washington nog meer gezag. Dit
was de voornaamste reden waarom een in dec. 1948 ingezette tweede ĎpolitiŽle
actieí ondanks de bezetting van Yogyakarta en de gevangenneming van vrijwel de
gehele Republikeinse regering politiek mislukte. Onder Amerikaanse pressie droeg
Nederland op 27 dec. 1949 de soevereiniteit over Nederlands-IndiŽ over (met
uitzondering van Nieuw-Guinea, waarvan de status binnen een jaar geregeld zou
moeten worden door onderhandelingen tussen Nederland en de Verenigde Staten van
IndonesiŽ [VSI]). Een en ander werd geregeld in de akkoorden van de
Rondetafelconferentie (aug.Ėnov. 1949).
IndonesiŽ als onafhankelijke staat
Op grond van genoemd akkoord werden Nederland en de VSI in een Unie verenigd,
een schijnconstructie mede omdat de VSI niet levensvatbaar waren. Hun
staatshoofd was Soekarno, meer dan wie ook de belichaming van het unitarisme. De
VSI verdwenen dan ook op 17 aug. 1950. Alleen in de Zuid-Molukken, waar in april
1950 een onafhankelijke republiek was uitgeroepen, werd tegen deze ontwikkeling
gewapend verzet geboden, vooral door voormalige KNIL-militairen. In de plaats
van de VSI kwam de unitarische Republiek IndonesiŽ, met een op Nederlandse leest
geschoeide voorlopige grondwet. Het hieraan inherente onschendbaarheidsbeginsel
van het staatshoofd was Soekarno niet naar de zin.
Politiek gesproken oefenden in IndonesiŽ op grond van de rondetafelconferentie
IndonesiŽrs de macht uit, economisch gesproken echter bleef het accent liggen op
de Nederlandse handelshuizen en grote plantages. Het parlementarisme kon in dit
klimaat slecht gedijen. Tussen de belangrijkste twee partijen, de islamitische
pro-westelijke Masjumi en Soekarno's oude partij, de Javaans getinte
nationalistische en neutralistische PNI, bestonden scherpe tegenstellingen. Het
leger, politiek scherp verdeeld, was een geduchte extraparlementaire factor.
Ondertussen had de PKI zich onder leiding van Aidit van Madiun hersteld. Ze had
een stevige greep op vak- en boerenbonden. Het leger, de PKI en Soekarno werden
de voornaamste machtscentra. In deze constellatie van groeiend nationalisme en
voortschrijdende inflatie zegde IndonesiŽ in 1956 wegens het
Nieuw-Guinea-geschil de Unie met Nederland op. Verkiezingen voor een parlement
(1955), een constituante (1955/1956) en gemeenteraden (1957) waren succesrijk
voor de PKI.
De situatie werd nog gecompliceerder toen, mede als reactie op deze
PKI-successen, conservatieve officieren in de Buitengewesten separatistische
neigingen gingen vertonen. Hierbij kwam dat Sumatera en Sulawesi als
exportgebieden meenden dat Java ten gevolge van deviezenbepalingen (1953) hun
inkomsten afroomde. De in 1957 ingezette secessie werd militair onderdrukt, en
wel door Nasoetion, die het met Soekarno in alles behalve op het punt van de
nationale eenheid oneens was. In 1959 had Soekarno ondertussen met hulp van het
leger de constituante naar huis gestuurd en de oude grondwet van 1945
afgekondigd, die aan de president veel grotere macht gaf. De macht van de
politieke partijen werd in sterke mate beknot.
Het volgende jaar ging de president nog verder met de doorvoering van het nieuwe
staatsbestel, dat hij betitelde als Ďgeleide democratieí. Het parlement werd in
maart 1960 vervangen door een lichaam waarin naast afgevaardigden van de
politieke partijen ook vertegenwoordigers van beroepen en maatschappelijke
groeperingen, de zgn. functionele groepen, zitting kregen. In aug. 1960 werden
de Masjumi-partij en de socialistische PSI, waaraan geen zetels in het parlement
waren toegewezen, verboden. In 1961 bleven slechts tien erkende partijen over;
de belangrijkste waren de islamitische Nahdatul Ulama, de nationalistische PNI
en de PKI. Maatregelen tegen journalisten en dagbladen maakten een einde aan de
persvrijheid. De spanning tussen de aan invloed winnende communisten en hun
sympathisanten enerzijds en de nationalisten, islamieten en militairen
anderzijds nam toe, m.n. in 1964, toen boeren op Java actie voerden tot
herverdeling van de gronden. Economisch bleef de toestand deplorabel, terwijl
confrontaties, eerst met Nederland en na de overdracht van Nieuw-Guinea in 1962
met MaleisiŽ, het land op grote militaire uitgaven kwamen te staan.
Staatsgreep door Soeharto
Op 30 sept. 1965 deed het hoofd van de presidentiŽle lijfwacht, overste Untung,
een greep naar de macht, naar hij zei om president Soekarno tegen een
staatsgreep van militairen te beschermen. Zes generaals, onder wie de chef van
de generale staf Achmed Jani, werden door de rebellen omgebracht. Het leger
bleef de toestand echter meester; de commandant van de strategische reserve,
generaal Soeharto, herstelde de orde in Jakarta. Op Midden-Java vonden gevechten
plaats tussen communistische opstandelingen en militairen. In de nu volgende
verwarde weken werden de communisten meedogenloos vervolgd. Onder de
slachtoffers was de leider van de communistische partij, Aidit. Soekarno werd na
1965 geleidelijk van het toneel verwijderd. President werd in 1967 Soeharto, die
zijn machtsbasis vond in het leger.
Het regime-Soeharto bracht een heroriŽntatie teweeg in de buitenlandse politiek.
FinanciŽle hulp door landen als de Verenigde Staten en Nederland werd hervat:
deze hulp kreeg een grootscheeps karakter, toen ook andere landen daaraan gingen
deelnemen. Ten gevolge hiervan werd IndonesiŽ economisch sterker afhankelijk van
het Westen en als uitvloeisel daarvan gedwongen zijn Ďneutralistischeí koers op
te geven. Binnenslands bleef nog veel ontevredenheid bestaan over de geringe
voortgang bij de ontwikkeling van de economie en de bestrijding van de
corruptie. Het bewind trachtte zijn positie te versterken door drastische
repressieve maatregelen. Een uiterlijk succes behaalde het in 1969, toen, onder
sterke druk, Westelijk Nieuw-Guinea zich uitsprak voor definitieve aansluiting
bij IndonesiŽ. Een politieke reorganisatie vond plaats, toen de zgn. functionele
groepen zich tot een partij constitueerden (de Sekber Golkar), die, krachtig
gesteund door de overheid, in 1971 bij de algemene verkiezingen (de eerste sinds
1955) een grote meerderheid verwierf. Na het vertrek van de Portugese troepen
uit Oost-Timor (zie Portugees Timor) mengde IndonesiŽ zich eind 1975 militair in
de gewapende strijd om machtsovername door de bevrijdingsbeweging FRETILIN
aldaar te voorkomen; op 17 juli 1976 maakte president Soeharto officieel bekend
dat Oost-Timor als 27ste provincie bij IndonesiŽ was ingelijfd; een daad die
nooit door de Verenigde Naties officieel erkend is.
Veel kritiek kreeg het regime-Soeharto, omdat het sinds de mislukte staatsgreep
van 1965 vele tienduizenden politieke gevangenen zonder vorm van proces
vasthield, o.a. op het afgelegen eiland Buru. Vrijwel al deze gevangenen werden
omstreeks 1979 vrijgelaten, zij het dat zij in hun bewegingsvrijheid nog zekere
belemmeringen ondervonden.
Hoewel de regerende Golkar-partij bij de verkiezingen in 1982 64% en in 1987
bijna 75% van de stemmen kreeg, kenmerkten de jaren 1977Ė1988 zich door de
nodige uitingen van ontevredenheid en sociale onrust. Ook kwam de familie (m.n.
mevrouw) Soeharto in opspraak wegens financiŽle malversaties met publieke en
liefdadigheidsfondsen.
Veel internationale kritiek kreeg IndonesiŽ te verduren vanaf 1983, naar
aanleiding van de zgn. mysterieuze moorden op Java, waarbij vermeende criminelen
door onbekende daders (georganiseerd door het leger en met goedvinden van de
president, naar later bleek) werden vermoord.
In 1984 kwamen in de havenplaats Tanjung Priok groepen islamieten in opstand
tegen presidentiŽle maatregelen die een strengere controle op politieke, sociale
en religieuze organisaties inhielden door hun het onderschrijven van de
Pantjasila verplicht te stellen. Hierbij vielen zeker achttien doden, gevolgd
door bomaanslagen op Chinese bedrijven en banken en op het tempelcomplex
Borubudur. Bij velen, vooral jongeren en PDI-aanhangers, won Soeharto weer aan
populariteit.
In de loop van 1990 echter bepleitte de regering de overgang naar een grotere
Ďopenheidí (keterbukaan), die zich o.a. uitte in meer persvrijheid. Van
verschillende kanten drong men erop aan het politieke systeem democratischer te
maken. Soeharto noemde de staatsfilosofie Pantjasila een Ďopen filosofieí, die
politieke meningsverschillen verdraagt.
Soeharto zette daarnaast zijn toenadering tot de islam voort, ondanks verzet van
het leger. Toen in 1991 door het leger op Oost-Timor een bloedbad onder
demonstranten (100Ė150 doden) werd aangericht, stelde Soeharto het leger ervoor
verantwoordelijk en ontsloeg o.a. de regionaal commandant van Oost-IndonesiŽ.
Als gevolg van de spanningen in Atjeh zijn daar in 1991 en 1992 naar schatting
3000 burgers om het leven gekomen. Aan het eind van 1992 leek de rust te zijn
teruggekeerd. In maart 1993 werd Soeharto voor de zesde achtereenvolgende keer
president, zij het dat hij ditmaal de kandidaat van het leger, generaal Sutrino,
als vice-president moest accepteren en dat buiten het leger een belangrijke
stroming van vooral jongere officieren voorstander is van een beperktere
politiek-economische rol.
Op economisch gebied leidden de sterk toegenomen inflatie en de tegenvallende
investeringen in 1993 tot een verhoging van het werkloosheidscijfer, wat weer
grotere sociale spanningen tot gevolg had. Ook in 1994 vonden gedurende het hele
jaar proteststakingen plaats tegen de zeer lage lonen en de mensonwaardige
arbeidsomstandigheden. In de vele corruptieschandalen, waarbij regelmatig ook
familieleden van president Soeharto waren betrokken, ging de rechterlijke macht
een steeds onafhankelijker positie innemen.
De economie bleef in de jaren negentig fors groeien. Hetzelfde gebeurde met de
kritiek op de politieke en economische machtsconcentraties, waarin de
presidentiŽle familie sleutelposities innam. De kloof tussen arm en rijk werd
groter, terwijl het gebrek aan concurrentie de economie inefficiŽnter deed
functioneren.
De presidentsverkiezingen van 1998 wierpen al in 1996 hun schaduw vooruit: de
regerende Golkarpartij poogde elke oppositie in de kiem te smoren. Twee nieuwe
oppositiepartijen werden verboden en Megawati Soekarnoputri, de dochter van
oud-president Soekarno, werd als leider van de Democratische Partij van
IndonesiŽ ten val gebracht.
De zesde algemene verkiezingen van mei 1997 werden voorafgegaan door de
ernstigste periode van politiek geweld sinds de eerste algemene verkiezingen in
1971. De regeringspartij Golkar behaalde een overweldigende meerderheid van ruim
74%, de islamitische PPP steeg naar ruim 23% en de nationalistisch-christelijke
PDI viel dramatisch terug naar ruim 5% (in 1992 15%). Die terugval werd door
waarnemers in verband gebracht met het gedwongen aftreden van haar leider
Soekarnoputri in 1996. Ondanks hevige protesten van vooral studenten werd
president Soeharto in maart 1998 voor de zevende maal herkozen. De studenten
keerden zich onder meer tegen de slechte sociale en economische situatie waarin
het merendeel van de IndonesiŽrs zich bevindt, de vriendjespolitiek van de
presidentiŽle familie en haar achterban en haar ongebreidelde zakelijke
belangen.
Onder druk van de hevige onlusten die in mei 1998 uitbraken en aan 1200 mensen
het leven kostten, trad Soeharto op 21 mei af en droeg zijn ambt over aan
vice-president Bacharuddin Jusuf Habibie.
In de zestien maanden van zijn presidentschap zijn er tientallen politieke
partijen opgericht, die in alle vrijheid naar een plaats in het Volkscongres
hebben kunnen dingen. Maar voor de meeste IndonesiŽrs bleef Habibie een
Soeharto-mannetje,die geen goed kon doen. Maar de economische crisis die
Soeharto noodlottig werd wist ook hij niet op te lossen. En de rijken die onder
Soeharto hun zakken vulden, leefden nog steeds in grote weelde.
De Strijdende Democratische Partij IndonesiŽ (PDI-P) van Megawati Soekarnoputri
werd de winnaar van de Indonesische verkiezingen die op 7 juni 1999 werden
gehouden. De populaire dochter van de eerste president, Soekarno, bleef echter
ver verwijderd van een meerderheid in het parlement en kon alleen een regering
vormen op basis van een coalitie.
Na het tellen van de 122 miljoen uitgebrachte stemmen kwam de PDI-P uit op 33,7
% (155 zetels). Tweede werd regeringspartij Golkar met 22,4 % (120 zetels),
gevolgd door de drie moslimgeoriŽnteerde partijen, PKB, PPP, en PAN, met
respectievelijk 12,6%, 10.7% en 7,2 %. Bijna 15% van de stemmen was ongeldig. De
resterende 13,4 % van de stemmen ging naar de overige 43 partijen die aan de
verkiezingen deelnamen.
Het Indonesische Volkscongres koos 20 oktober 1999 een nieuwe president.
Megawati gold als favoriet. Het enige wat afbreuk deed aan haar kansen was dat
ze weinig tijd had gestoken aan het verwerven van steun. Megawati staat voor
recht en democratie. Maar critici beschouwden het echter als een gemis dat zij
zelden in het openbaar sprak. Als oppositieleider schitterde ze door afwezigheid
en liet ze zich zelden betrappen op een opzienbarende uitspraak. Zelfs tijdens
de protestacties die Soeharto noodlottig werden verscheen ze nauwelijks in het
openbaar. Haar standpunten werden vaak als conservatief ervaren. Ze betreurde
de afscheiding van Oost-Timor en bleef vaag over het terugdringen van de rol van
de militairen.
Uiteindelijk werd A. Wahid (koosnaam: Gus Dur) gekozen tot de vierde president
van IndonesiŽ. Nadat de Golkarkandidaat, president Habibie, zich had
teruggtrokken, bleek er in eigen kring geen goede vervanger te vinden. In
Megawati, de winnares van de parlementsverkiezingen, hadden de Golkarleden geen
vertrouwen. Wahid was in hun ogen het beste alternatief. Hij verslaat zijn oude
vriendin Megawati met 373 tegen 313 stemmen. Deze moslimleider had zich pas te
elfder ure in de strijd om het presidentschap gestort. Een algemeen
gerespecteerde en intelligente, maar bijna blinde man, die nauwelijks kan lopen
als gevolg van twee hersenbloedingen.
Wel koos het Volkscongres een dag later Megawati als vice-president. Voor het
eerst sinds meer dan dertig jaar beschikt IndonesiŽ over een presidentieel duo
dat democratisch is gekozen en kan bogen op een brede steun onder de bevolking.






IndonesiŽ Dossier
Archief De Volkskrant over de crisis in IndonesiŽ
NRC-Handelsblad: Profiel IndonesiŽ
Daily Reports of Current Events in Indonesia
Algemene politieke situatie in IndonesiŽ
Megawati Sukarnoputri
Megawati
Homepage Megawati
Wahid president
Wahid president van IndonesiŽ
Foto Wahid / Megawati & kabinet 1999
Gus Dur (Wahid)
A. Wahid
Curriculum Vitae van Wahid / Indonesische Ambassade Den Haag
Wahid geeft regio's de ruimte
Wahid: symbool voor profiel van faculteit Bestuurskunde
Habibie
B.J. Habibie
Amien Rais